99 DE MOORD IN PRUISEN

(oost in C )

1 Hoort vrienden hoort een lied, dat in Pruisen is geschied,

Daar leefde een boer met zijn gezin, de arbeid gaf helaas een schraal gewin,

Belasting en patent, zijn in dat oord zowel als hier bekend,

Maar ach zij konden het niet betalen,

Men dwong hen echter wel, door zo menig dwangbevel. ) bis

 

2 "Ach", sprak hij, droef te moe,"`k heb slechts nog maar n koe,

Maar ach, hij moet er toch maar aan; Ik zal er daad'lijk mee naar de markt toe gaan,

Ras trok hij stadswaarts heen, zijn zoontje was zijn reisgezel alleen,

En nu ter marktplaats aangekomen,

Werd`t beestje goed verkocht, en`t huis weer opgezocht. ) bis

 

3 Maar halverweg de stad, rust hij in`t:" klaverblad",

Hij drinkt een glaasje en vult zijn fles, en spreekt terwijl eens met de kast'leines,

"Ja", sprak zij,"`t Is gewis, dat`t naaste bos voor elk onveilig is".

Maar daardoor was hij niet bewogen,

Hij ging er zo dikwijls door, en vreesde dus nergens voor. ) bis

 

4 Zo treedt hij haastig voort, door`t stil en eenzaam oord,

Maar krijgt toen onverwacht een slag, dat hij ter aarde zinkt en niemand`t zag,

Wie mag de moordenaar zijn ? helaas ! het was de snode kastelijn,

Die hem zijn geldje wilde ontroven,

En`t zoontje snelt meteen, naar dezelfde herberg heen. ) bis

 

5 Daar meldt hij aan de vrouw, zijn nood en bitt're rouw,

"Maar", zegt hij haar,"Het geld heb ik, `k ontving het juist op`t zelfde ogenblik",

"Geef hier", zo roept zij uit, "Opdat ik`t zolang voor jou in een kast opsluit,

Ik zal het wel voor jou bewaren",

En zij stuurt het kind meteen, naar een donk're kelder heen. ) bis

 

6 Daar komt met woest gedruis, de moordenaar in huis,

"De man is dood", zo roept hij uit, maar`k vond op hem, helaas geen enk'le duit",

Zijn vrouw toont hem het geld, en`t wordt door hen met vreugde nageteld,

Terwijl zij tevens saam besluiten,

Dat`t kind, O God! wat schand ! In de oven moet worden verbrand. ) bis

 

7 Zij stoken de oven heet, doch`t kind, dat alles weet,

Wijl`t heeft geluisterd aan de trap, bedenkt hoe hij aan zulk een lot ontsnapt,

Daar ginder ziet hij licht! En, O Goddank, het lichtgat is niet dicht,

Hij wringt zich door het lichtgat henen,

Wijl hem het gutsend bloed, neerstroomt langs lijf en goed. ) bis

 

8 Zo treedt hij angstig voort, door`t stil en eenzaam oord,

Door angst en schrik geheel verward, ziet hij weldra twee krijgslin op zijn pad,

Zij vragen hem terstond, en horen`t droef verhaal uit's knaapjes mond,

Men werpt een mantel om zijn leden,

En gaat met snelle schren, naar dezelfde herberg heen. ) bis

 

9 Daar vindt men`t gruw'lijk paar, en ook de oven klaar,

"Waarvoor stookt gij die toch zo rood",? en`t antwoord op de vraag:"Het is voor brood",

"Neen, booswicht", roept men uit, en een greep ras de onbeschaamde guit,

Terwijl ze op het knaapje wijzen:

"Zie hier het deeg gebracht, dat gij te bakken dacht". ) bis

 

10Al stevig ingesnoerd, werd man en vrouw vervoerd,

Tot aan de naastgelegen stad, waar men hun daad aldra vernomen had,

Ras was het vonnis klaar; de dood was`t eind van het gruwelijke paar:

Zij moesten saam de schanddood sterven,

Zij hadden zo menig moord, bedreven in dit oord. ) bis

***************

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage