98 IK ZAL U VAN DE SCHOOI GAAN ZINGEN

(oost in C )

 

1 k Zal u van de schooi gaan zingen, van de vrijerij van t boerenland,

Van de jongmans hun vele manieren,

Uit de Noord-Hollandse boerenstand. ) bis

 

2 `s Zondagsavond moet je weten, komen de jongmans bij elkaar,

Dan wordt`t reisje afgemeten,

Waar ze moeten wezen,`t zij hier of daar. ) bis

 

3 Is dan de reis wat ver van hun woning, gaat hij te voet, of gaat hij te paard,

Of moet de jongman drie uur lopen,

`t meisje is hem de schooi wel waard. ) bis

 

4 Komt hij dan aan de boer zijn woning, rinkelt of belt, of klopt hij aan ?

De deur wordt geopend en hij treedt binnen,

Blijft in een deftige houding staan. ) bis

 

5 Dan is`t:"Goeienavond samen", met de pijp al in de hand,

Vraagt hij, of hij er's op mag steken,

Dan is`t meisje al uit de brand. ) bis

 

6 `t Meisje rijst op om een stoel te gaan halen, de jongman die pakt hem gewillig aan,

Dan praten zij over koeien en paarden,

Totdat de baas en de vrouw te bedde gaan. ) bis

 

7 `t Meisje wenkt de jongman, hij gaat mede, volgt haar gewillig waar of zij ook gaat,

Om maar niet begluurd te wezen,

`t Kaarslicht wordt spoedig uit gedaan. ) bis

 

8 Dan gaat`t op een kussen en strelen, vertellen elkander een aardigheid,

Totdat de klok half vier heeft geslagen,

En de jongman, moet scheiden van zijn meid. ) bis

 

9 Dan maar weer naar huis gelopen,`t Zondagse pak uit en`t daagse pak weer aan,

En van slapen is niets gekomen,

Want het is tijd om te melken te gaan. ) bis

***************

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage