97†††† DE SPINSTER††

††† wÚrden: J.H.Voss (oost in C)

 

1 Ik zat te spinnen voor de deur, een jongling hoorde mijne zangen,

††† Hij was zo schoon, hij lachte mij toe, en roder gloeiden mijne wangen.

††† Ik keek eens op en sprak geen woord, ik zat beschaamd en spon al voort.

 

2 Hij zei mij vriend'lijk goeden dag, trad bij en scheen bedeesd te wezen,

††† Ik werd zo bang, de draad brak af, en`t hart, zo sloeg het nooit voor dezen,

††† Ik hechtt' den draad, zo goed ik kon, ik zat beschaamd en spon en spon.

 

3 Liefkozend nam hij mijne hand, en lei die zachtkens in de zijne,

††† Hij zag nog nooit een hand zo schoon, zo blank, zo poezel als de mijne,

††† Hoezeer die lof mijn harte won, zat ik beschaamd en spon en spon.

 

4 Hij leunde dichter op mijn stoel, terwijl hij`t fijne draadje roemde,

††† En mij met een bedeesde stem, zijn allerliefste spinster noemde,

††† Hij zag mij aan, ik sprak geen woord, ik zat beschaamd en spon al voort.

 

5 Zijn wang kwam nader tot mijn wang, daar`t helder oog, zo teder blikte,

††† Toevallig raakte hij mijn hoofd, dat onder`t spinnen zachtkens knikte,

††† Hij kuste mij, ik sprak geen woord, ik zat beschaamd en spon al voort.

 

6 Maar fier wees ik de jongling af, dit scheen hem driester nog te maken,

††† Onstuimig vloog hij mij om de hals, en kuste rood als vuur mijn kaken,

††† Mijn zuster zeg, of`t wezen kon,†† dat ik nog rustig verder spon.

††††††††††

††††††††† ***************

 

Geluidsfragment

 

 Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage