96        DE UIL 

             (oost in C)

 

 1 Ze waren met z’n beiden, hoelala, hoelalala, gezellig aan het vrijen,

    Hoelala, hoelalala, ze hielden zoveel van elkaar,

    En daarom werden zij een paar, hoelala, hoelalala.

 

 2 Ze gingen naar`t plansoentje, hoelala, hoelalala, daar klapte menig zoentje,

    Hoelala, hoelalala, toen hoorde men een klein gerucht,

    En dan een kus met een diepe zucht,   hoelalala, hoelalala.

 

 3 Een uil hoog in de bomen, hoelala, hoelalala, die had het paar zien komen,

    Hoelala, hoelala­la, hij zette zich op zijn gemak,

    En gluurde door het bladerdak, hoelalala, hoelalala.

 

 4 Toen is het paar geschrokken, hoelala, hoelalala, en ijlings weer vertrokken,

    Hoelala, hoelalala,   maar in het gras daar lag een rok,

    Een paar bretels en een wandelstok, hoelalala, hoelalala.

 

 5 Een wandelaar die voorbij kwam, hoelala, hoelalala, en op die plaats tot staan kwam,

    Hoelala, hoelalala,   zag in het gras, rok en bretel,

    En sprak bedenkelijk:" Wel, wel wel", hoelala­la, hoelalala.

 

 6 Het was z'n dochters rokje, hoelala, hoelalala, neef Piet z'n wandelstokje,

    Hoelala, hoela­lala, hij sprak:"Een gek die daarom kijft,

    Als het maar in de familie blijft,   hoelalala, hoelalala.

       

          ***************

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage