95    DE MOEDER WEENT EEN DROEVE TRAAN 

        (oost in F )

 

 1 De moeder weent een droeve traan, haar zoon wil naar de vreemde gaan,

    De wereld is zo mooi en prachtig, moeders tranen zijn onmachtig,

    Ach moeder ween toch niet zo zeer, wij zien elkaar nog wel eens weer,

    Gedreven door de stille smart, drukt zij hem stevig aan het hart,

    De vogel vliegt, de wereld in, luistert niet naar moeders min,

    Leeft in weelde, kent geen verdriet, maar zijn moeder, vergeet hem niet.

 

 2 En in dat grote wijde veld, verdient de zoon veel sommen geld,

    Maar ach, hij kent voor zich geen zorgen, leeft van het heden maar tot morgen,

    Terwijl de moeder lijdt in nood, en werkt en zwoegt voor`t dagelijks brood,

    En als zij door het venster kijkt, roept zij ontroerd in tranen uit:

    "De vogel vliegt de wereld in, luistert niet naar moeders min,

    Leeft in weelde, terwijl moeder lijdt, maar ach, hij kent geen dankbaarheid".

 

 3 Vervlogen is`t geluk der zoon, hij keert terug naar moeders woon,

    Geheel alleen en gansch verlaten, dwaalt hij nu eenzaam door de straten,

    Hij slaat een blik op`t huisje neer, maar wie hij zoekt vindt hij niet meer,

    En nu hij voor haar huisje staat, weet hij voor zich: het is te laat,

    De vogel vliegt naar`t kerkhof heen, daar rust moeder nu alleen,

    Weent, eer dat hij henen gaat, maar berouw komt steeds te laat.

          

          ***************

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage