9†† IN `t NOORDEN VAN ONS EILAND

††††† (oost in G ) (* West geen bis)

1In ít Noorden van ons eiland, daar woonde een oude man,

††† Een minnaar van de vrouwen ja, en hij kan er zo menigeen an,

††† Reeds al vier, reeds al vier, gingen ze van hem alle vier,

††† En al was hij stram en stijf, trouwde hij met nummer vijf.††† ) bis *

††††††††

2Toen deze lag te sterven, sprak zij:"Kees hoor eens aan,

††† Durf jij mij nu beloven dat,je nooit meer trouwen zult gaan",

††† "Ja o vrouw, ja o vrouw, die belofte doe ik aan jou,

††† Wordt ik ook honderd jaren oud, ik zal blijven ongetrouwd".†††† )bis *

 

3Het was pas een maand geleden, of Kees die kreeg berouw,

††† Hij sprak:"Ik verdom het lekker ja, en ik kies maar weer een vrouw,

††† `t Is me te koud, `t is me te koud, om te blijven ongetrouwd,

††† Het is me veel te kil in bed,ik verlang weer naar die pret".††††† )bis *

 

4Toen buurman Jan dat hoorde, sprak hij:"Wel Kees, wat nou,

††† Durf jij het wel te wagen om, te nemen een jonge vrouw"?

††† "Ja ik scheur, ja ik scheur, liever mijn broek aan de kakstoeldeur,

††† Eer dat ik mijn levenstijd, met een oud wijf in het bed verslijt.†† )bis *

 

5Nu ziet men Kees gaan trouwen, met een meisje van achttien jaar,

††† Wat zal het dat kind berouwen, ja, want de liefde was blind voor haar.

††† `t Werd ook tijd, `t werd ook tijd, want zij was flink uitgedijd,

††† En voor wieg en wieg allerlei, moesten zij zorgen allebei.†††††† )bis *

 

6Nu ziet men Keesje rijden, zijn vrouw bestuurt het paard,

††† Want Kees is zo bepimpeld, dat, hij is er geen oortje meer waard,

††† Wat een begin, wat een begin, tsjonge Kees, wat zet je dat in,

††† Is dat nu een manier van doen, kun je niet houden je fatsoen.†††††† )bis *††††††

 

7Bij Pietertje aangekomen, rolt Kees al van de kar,

††† Vlak onder de hagendoorns, ja, bemodderd, o zo bar,

††† Wat zag hij er uit, wat zag hij er uit, och die arme schone bruid,

††† Stond te huilen op het pad, dat haar manlief daar zo zat.††††††† )bis *

 

8Nu ziet men Keesje wiegen, zijn vrouw ligt ziek te bed,

††† En Kees die zingt een wiegelied,al had hij de grootste pret.

††† Maar o wee, maar o wee, leeg was ook zijn portemonnaie,

††† En met de winter voor de deur, is het lang geen rozengeur.††††† )bis *

 

9Nu ziet men`t vrouwtje lopen, met een emmer zonder hoep,

††† Geen geld meer om te kopen, gaat, ze naar Den Burgt om soep.

††† Wat een ellend, wat een ellend, wat deed ze met die oude vent,

††† Was ze gebleven een jonge maagd, niets van dat had haar geplaagd.)bis *

 

10Dus meisjes voor het laatste, neem hier een voorbeeld aan,

††† Ik raad u voor het bestealsge ooit eens trouwen gaat,

††† Neem dan nooit zo'n oude man, je hoort nu wat dat geven kan,

††† Blijf dan liever een jonge maagd,dan is er ook niets meer wat je plaagt )bis†††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††

 

††††††††††† ***************

Geluidsfragment

 

Volgend lied 

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage