86     PIET EN GEERTJE 

       (oost in F )

 

 1 Pieter bracht laatst zijn beminde, ’s avonds van een kermisfeest,

    Thuis lag alles wel te slapen, daar was Geertje voor bevreesd.

    “Piet wat zal ik nu beginnen, als men mij niet opendoet?

    Pieter sprak: “De schuur staat open, samen slapen is zoo zoet”.  ) bis

 

 2 Geertje klopte menigmalen, maar men opende haar niet,

    Dit mishaagde wel voor Geertje, maar was aangenaam voor Piet.

    Beiden traden toen in`t schuurtje, ja, daar was het o zoo zoet,

    Terwijl ze onder`t voortgaan fluist'ren: "Samen slapen is zoo zoet".  ) bis

 

 3 De zon kwam op al in het Oosten, en bescheen ons Geertje's huis,

    Toen zag men z' uit het schuurtje komen, ja, zoo stilletjes als een muis.

    Met de oogen neergeslagen, en de wangen rood als bloed,

    Terwijl ze onder`t voortgaan fluist'ren: "Samen slapen is zoo zoet". ) bis

 

 4 Negen maandjes zijn verdwenen, zat de jonge maagdelijn,

    In haar eenzaamheid te zuchten, bij het wiegje van haar klein.

    En toen Pieter haar zag zitten, vluchtte hij met snelle spoed,

    Terwijl ze onder`t wiegen zuchtte: "Samen slapen is niet goed".  ) bis

 

 5 Meisjes doe niet zoo als Geertje, stoor u niet aan zoo een Piet,

    Want`t is maar een korte vreugde, later is`t een goot verdriet.

    Maar,`t is waar; verboden vruchten, smaken dikwijls o zoo zoet,

    Maar bijt men in een zure appel, dikwijls buikpijn boeten moet.    ) bis

       

          *************** 

 

Geluidsfragment 

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage