84     De LOODS 

           (oost in G )

 

 1 Waar de orkanen dond’rend loeien, het volk ervaart ons liefd’rijk hart,

    Angst en vrees de zielkracht boeien, waakt des zeemans moedig hart.

    Thans is hij daar, hij wijst gebiedend, op de brandend golven ziedend,

    “Mannen”, roept hij “Er is gevaar, ik ben loods, God roept mij daar”!

 

 2 Ginds daar bij de Noorderrassen, verkeert een schip in bangen nood,

    `t Zal verbrijz'len, hoor het krassen, de bemanning wacht de dood.

    Schenk mij kracht om hen te naad'ren, `t zijn Uw scheps'len, hoop der vaad'ren,

    Red en steunt in doodsgevaar, "ik ben loods, God roept mij daar".

 

 3 Zie de vreeselijke rampen, tart hij met een reine ziel,

    Ziet hen moedig, ziet hen kampen, worst'len met een brooze kiel.

    Hoort zijn vrouw en kind'ren smeeken, `t vaderhart valt niet te breken,

    Redders, steunt in doodsgevaar, ik ben loods, God roept mij daar.

 

 4 Reuzenkracht wordt hem gegeven, `t schip zinkt in de diepte neer,

    Tachtig menschen redt hij`t leven, `t is zijn adel, roem en eer.

    Nederig sterft hij en vergeten, doch daar galmt bij`t welkom heeten,

    Redder steunt in doodsgevaar, ware held, God roept U daar.

­­     

          ***************

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage