8††† DE TREURENDE MINNARES

†††††† (oost in G)

 

1O, Heer, waar mag mijn minnaar wezen, die mij omtrent zes jaren heeft gevrijd.

††† Die al mijn smarten kon genezen, al door die zuiívre, zuiívre minzaamheid.

††† Die in het bloeien van zijn jaren, marcheren moest voor zijne majesteit,

††† O, wat een spijt, O wat een spijt.

 

2Bij zijn vertrek riep hij al treurend, ontvang deez kus van afscheid en geween,

††† Ik dacht alsof de aarde openscheurde, toen hij uit mijn, uit mijn gezicht verdween.

††† Nu zweeft, nu staat hij voor mijn ogen, mijn waarde vriend, die mij mijn slaap ontrust,

††† Mijn slaap ontrust, mijn slaap ontrust.

 

3Wie kan mijn ongeval herstellen, O, Dag, o dag, o droevig uur,

††† Toen hij mij voor het laatst adju kwam zeggen, adju, vaarwel mijn waarde creatuur.

††† Vaarwel mijn waarde schat op aarde, de wet roept mij, ik neem de wapens aan,

††† Want ik moet gaan, want ik moet gaan.

4Geen dag of nacht kan er passeren, of ik zie hem al voor mijn ogen staan,

††† En op de dag, zo moest hij exerceren, en in de nacht moest hij op schildwacht staan.

††† Ik zal mijn ongeval betreuren, totdat hij wederkeert met zijn consent,

††† Ik ben content, ik blijf content.

†††††††††††††††††††† ***************††††††††††††

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage