73    DE LUSTIGE VARENSGEZEL 

         (oost in F)

 

 1 Stap met genoegen in mijn bootje, dat gaat naar Batavia’s kust,

    Cupido is ons tochtgenootje, vaar naar d’overkant gerust.

    Hij zal ’t wank’lend vaartuig sturen, in die onbekende zee,

    ’t Is een tocht van weinige uren, kom vaar met mijn bootje mee.

 

 2 `k Ga met u de reis niet wagen, want de stuurman is een kind,

    De jongeling telt pas weinige dagen, en daarbij is hij verblind.

    Mocht gij op een klip verzeilen, in die onbekende zee,

    Daar kunt gij de grond niet peilen, neen, ik ga niet met uw bootje mee.

 

 3 In die zee vindt men geen klippen, daar gaat alles voor de wind,

    Mocht het roer mij soms ontglippen, vaar dan toch maar zacht mijn kind.

    Met een oog in`t zeil gehouden, kom, voldoe maar aan mijn bee,

    Wilt het nog eens overleggen, kom, vaar met mijn bootje mee.

 

 4 Als de buld'rende Noordenwinden, en de zee zoo vrees'lijk stoot,

    Dan zal de zee ons wel verslinden, als het in`t Oost zoo vrees'lijk spookt.

    En de lucht, met donkere slangen, ook baldadig, akelig weer,

    Spreek mij van die tocht niet langer, neen, ik vaar niet met uw bootje mee.

 

 5 Geloof mij vrij, de last van`t leven, draagt men lichter met zijn twee,

    `t Kan soms ook wel kommer geven, maar`t brengt toch vreugde mee,

    Stuurman stuurt maar goed op uw dreven, en stuur met beleid uw boot,

    En wij zullen samen steeds leven,    `k zweer u trouw tot in de dood.

 

          ***************

 

Geluidsfragment 

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage