69    HET WEESMEISJE

          (oost in D)

 

 1  Aan den oever van een snellen vliet, een treurig meisje zat,

     Zij weend’en schreid’al van verdriet het gras met tranen nat.   ) bis*

 

 2 Zij wierp de bloempjes die zij zag,  mistroostig in de stroom,

    Zij riep:"Ach lieve vader, ach,  ach lieve broeder kom.                    )* bis

 

 3 Een rijk heer wandelde langs de vliet, bespeurd' haar bittere smart,

    Als hij het weenend meisje ziet, zoo brak zijn meedogend hart.     )* bis

 

 4 "Wat scheelt er aan, mijn lieve meid, zeg het mij en wees niet schuw,

    Zeg mij de reden waarom gij schreit,   zoo ik kan, zoo helpe ik u". )* bis

 5 Zij sprak die heer toen treurend aan, en sprak:"Ach brave man,

    Een arm wees ziet gij hier staan, die God slechts helpen kan".      )* bis

 

 6 "Ziet gij dat groene bergje niet, dat is mijn moeders graf,

    En aan den oever van deez' snelle vliet, daar gleed mijn vader af".)* bis

 

 7 "Een snelle stroom verslond weldra, hem worst'lend, ach hij zonk,

    Mijn broeder sprong hem achterna, helaas, ook die verdronk".       )* bis

 

 8 "Nu vlucht ik steeds het weeshuis uit,  wanneer het rustuur is,

    Al met een oog dat bitter schreit, en een hart vol droefenis".          )* bis

 

 9 "Gij moet niet wenen lieve kind,  uw hart verdient geen pijn,

    Ik wil uw broeder en uw vriend, ja, zelfs uw vader zijn.                    )* bis

 

10 Hij nam haar vriend'lijk bij de hand, om naar zijn huis te gaan,

     En gaf haar kleed'ren naar zijn stand, voor wezen kleed'ren aan". )* bis

 

11 Zij at zijn spijs, zij dronk zijn drank, gestadig, dag aan dag,

     "Heb dank, O eed'le brave man,  voor uw zoo braaf gedrag.          )   bis

                                                                                         * West geen bis

          *************** 

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage