65 OH GOD WAAR MAG MIJN MINNAAR WEZEN

(oost in C )

 

1 Oh God maar mag mijn minnaar wezen, Oh God, waar mag mijn minnaar zijn,

Hij is gaan zoeken, hij is gaan dwalen, k zie mijn geliefde minnaar nimmer meer,

Want hij is gaan varen, zoo ver van hier, bij andere meisjes zoekt hij zijn plezier.

 

2 Hij heeft mij eeuwig trouw gezworen, en nu laat hij mij in de schand,

Ach had ik vleugelen `k ging ver van hier, `k zou gaan delen in zijn plezier,

Maar hij is gaan varen, zo ver van hier, bij andere meisjes zoekt hij zijn plezier.

 

3 Ik loop geheel alleen te dwalen, en wordt door iedereen veracht,

Oh, grote God, ach sta mij bij, want anders kom ik zeker in de lij,

Was hij niet gaan varen, zo ver van hier,`k had geen ellende, maar ik had plezier.

 

4 Mijn moeder heeft mij ook verstoten, en nu zij mijn ongeluk aanziet,

Waar zal ik mij wenden, waar zal ik dolen, helaas ik sterf nogal van verdriet,

Maar hij is gaan varen, zo ver van hier, bij andere meisjes zoekt hij zijn plezier.

 

5 Maar daar was reeds een jaar vervlogen, toen ik mijn geliefde minnaar zag,

Want hij is gespaard al van zijn dood, elkanders liefde is voor ons zo groot,

Want hij is gespaard al van zijn dood, elkanders liefde is voor ons zo groot.

***************

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage