63 DE SCHILDWACHT

(oost in D )

 

1 Wat is de schildwacht droef en bleek, die nimmer lacht of weent,

Die sober aan het grenspad staat, waar zijne blik versteent.

 

2 Zijn sabel is als zijn pistool, altijd zoo zilverrein,

Zijn ledergoed is helder wit, geen sneeuw kan blanker zijn.

 

3 Zijn snorbaard is omhoog gekruld, niet n die hem geleek,

Alleen zijn blik is dof en strak, alleen zijn wang is bleek.

 

4 Tien jaren gingen er voorbij, toen was zijn wang nog rood,

Toen was zijn blik en oog nog klaar, thans is het dof en dood.

 

5 Als schildwacht stond hij op zijn post, naar strengen krijgsmanplicht,

En zag met smart in`t dal terneer, In`t zachte schemerlicht.

 

6 Daar woedde bang de cholera, die oud nog jong verschoont,

In`t zachte dal beneden hem, daar waar zijn moeder woont.

 

7 Hij wist niet, of ze leefde, noch of zij al zonk in`t graf,

Want niemand dorst naar hem omhoog, of daalde dalwaarts af.

 

8 Zo stond hij op een koude nacht, op zijne post alleen,

En blikte heim'lijk naar het dal, naar moeders hutje heen.

 

9 Maar meer verlangen dan bij hem, gloeide in zijn moeders borst,

Zij zat bij`t lampje in de hut, en weende een stille traan.

 

10 Zij denkt alleen nog aan haar zoon, wischt zich de wangen droog,

Zij vat haar stok, en kiest het pad, dat tot hem voert omhoog.

 

11 En door de koude winternacht, dwaalt daar het oudje voort,

En smeekt:"Laat mij slecht hooren Heer, van hem een enkel woord".

 

12 "Ik weet dat hij wel is", en voort, door storm en windgeruis,

Gaat zij het stille bergpad op, naar't eenzaam schilderhuis.

 

13 Zij strompelt voort tot aan zijn post, een:"Werda", klinkt haar toe,

Daar wankelt zij van moedervreugd, en van de tocht zo moe.

 

14 Nog nmaal klinkt haar`t "Werda", toe, en zij geeft woord nog stem,

Zij heeft haar trouwen zoon herkend, dat woord, dat kwam van hem.

 

15 En weder dondert haar in`t oor, "Werda", ten derde keer,

Nu wil zij roepen, maar een schot, ontvliedt haar zoon's geweer.

 

16 "Getroffen", roept de schildwacht dof, en vangt met`t herladen aan,

Toen klopt hem zonderling het hart, en peinzend blijft hij staan.

 

17 Het was hem, of zijn eigen schot, hem door het harte schoot,

Toch deed hij op dit oogenblik, niets dan zijn plicht gebood.

 

18 En toen door wolken dicht en zwart, het hel'dre maanlicht glom,

Toen dacht hij, wie kan dat toch zijn, die straks het pad beklom.

 

19 Nu gaat hij zoeken, maar wat smart, O, God daar stuit zijn voet,

Daar staat hij over moeders lijk, haar borst bedekt met bloed.

 

20 En sedert heeft de schildwacht nooit, gelachen of geweend,

Maar altijd is zijn hart versteend, zijn aangezicht verbleekt.

 

21 Zijn oog is dof, al waar het dood, en ook zijn droef gelaat,

Het is zijn eigen droevig beeld, dat altijd voor hem staat.

***************

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage