62   DE VERLIEFDE SLAVIN 

       (oost in C )

 

 1  Wilt gij oh vreemdeling mij ontvluchten, langs die woeste oceaan,

     Waar de geur der zomervruchten, u niet meer verfrisschen kan.

 

 2 Of hebt gij langs die stille dreven, mij niet eeuwig trouw verpand,

    En nu wilt g' u gaan geven, ach blijf bij mij, in`t Moorenland.

 

 3 `k Zal alles doen,`k zal voor u slaven, en alles doen wat gij gebied,

    Ik zal u steeds met nectar laven, dus vreemdeling, ach verlaat mij niet.

 

 4 Ik zal uw pad met rozen strooien, en palmen uit dit Moorenland,

    Ik zal mijn leven voor u wagen, terwijl gij wandelt langs het strand.

 

 5 Oh weent toch niet, mijn klein lief knaapje, gij zijt voor het leed te teer,

    Schenk uw vader slechts een lachje, want ach, gij ziet hem nimmermeer.

 

 6 Oh, mijn Alfred, hoe kan het wezen, dat gij uwen zoon niet mint,

    Ziet de tranen, ziet ze vloeien, al van de moeder en haar kind.

 

 7 Maar ik zie u reeds de zee doorsnellen, terwijl ik weenend loop langs strand,

    `k Hoor u steeds de dagen tellen, die voeren u naar`t Vaderland.

 

 8 Maar vliedt dan heen, door niets bewogen, eenmaal naar`t Europa's strand,

    Ziet wiens trouw gij hebt gezworen, zij stierf van smart in`t Moorenland.

      

          ***************

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage