60    DAAR WAS LAATST EEN MEISJE LOOS  

         (oost in D )

 

1   Daar was laatst een meisje loos, die wou gaan varen, die wou gaan varen,

     Daar was laatst een meisje loos, die wou gaan varen voor matroos.

 

 2  Zij nam dienst voor zeven jaar, omdat zij vreesde, omdat zij vreesde,

     Zij nam dienst voor zeven jaar, omdat zij vreesde geen gevaar.

 

 3  Zij bracht kist en kooi aan boord, gelijk een jonge, gelijk een jonge,

     Zij bracht kist en kooi aan boord, gelijk een jong matroos behoord.

 

 4  Zij moest klimmen in de mast, maken de zeilen, maken de zeilen,

     Zij moest klimmen in de mast, maken de zeilen met touwen vast.

 

 5  Maar door stormen en onweer, sloegen de zeilen, sloegen de zeilen,

     Maar door stormen en onweer, sloegen de zeilen van boven neer.

 

 6  Zij werd gebonden aan de mast, al met haar handen,al met haar handen,

     Zij werd gebonden aan de mast, al met haar handen en voeten vast.

 

 7  Zij riep:"Kapteintje, sla mij niet, ik ben uw liefje, ik ben uw liefje,

     Zij riep:"Kapteintje, sla mij niet, ik ben uw liefje, gelijk gij ziet.

 

 8  En daad'lijk werd zij losgemaakt, al met een kusje, al met een kusje

     En daad'lijk werd zij losgemaakt, al met een kusje, werd zij geraakt.

 

 9  Zij moest komen in de kajuit, trekken matrozen, trekken matrozen

     Zij moest komen in de kajuit, trekken matrozen kleren uit.

 

10 En wat er in de kajuit is geschied, dat weet de Opper, dat weet de Opper

     En wat er in de kajuit is geschied, dat weet de Opperstuurman niet.

 

11 Maar eer het scheepje was aan wal, was er het jonge, was er het jonge,

     Maar eer het scheepje was aan wal, was er het jonge matroosje al.

 

12 Toen zij nu weer kwam in de stad, waar zij nog eene, waar zij nog eene,

     Toen zij nu weer kwam in de stad, waar zij nog eene moeder had.

 

13 "Och", riep zij,"Moeder wordt niet boos, ik heb gevaren, ik heb gevaren”,

     "Och", riep zij,"Moeder wordt niet boos, ik heb gevaren voor jong matroos".

 

14 "Bij een die mij oprecht bemint, heb ik dit kleine, heb ik dit kleine,

     "Bij een die mij oprecht bemint, heb ik dit kleine, onnooz'le kind".

 

15 "Maar eer het weder Pinkster is, wordt ik zijn vrouwtje, wordt ik zijn vrouwtje,

     "Maar eer het weder Pinkster is, wordt ik zijn vrouwtje, dat is gewis.

      

          ***************

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage