59    HET  RUITERTJE 

         (oost in F )

 

 1  Er vrijde eens een ruitertje naar een meid, en ze vrijden allebeide,

     Fi de romme, tomme, tom, fi de roelala, en ze vrijden allebeide.

 

 2  En ze vrijden ja den gehelen nacht, van den avond tot den morgen,

     Fi de romme, tomme tom, fi de roe lala, van den avond tot den morgen.

 

 3  En toen het morgen geworden was, toen begon de maagd te wenen,

     Fi de romme, tomme tom, fi de roe lala, toen begon de maagd te wenen.

 

 4  "Ween niet lieve maagd, ween niet lieve maagd, ik zal jou daarvoor betalen,

     Fi de romme, tomme tom, fi de roe lala, ik zal jou daarvoor betalen".

 

 5  "En ik zal jou geven een ruitersknecht, en daarbij nog honderd daalders,

     Fi de romme, tomme tom, fi de roe lala, en daarbij nog honderd daalders.

 

 6  "Een ruitersknecht begeer ik niet, ik begeer het heertje zelven,

     Fi de romme, tomme tom, fi de roe lala, ik begeer het heertje zelven".

 

 7  "Het heertje zelven dat krijgt gij niet, ga dan maar naar je moeder,

     Fi de romme, tomme tom, fi de roe lala, ga dan maar naar je moeder".

 

 8  "Ik zal wel naar mijn moeder gaan, al onder de groene linden,

     Fi de romme, tomme tom, fi de roe lala, al onder de groene linden".

 

 9  En toen ze bij haar moeder kwam, lag haar moeder uit het venster,

     Fi de romme, tomme tom, fi de roe lala, lag haar moeder uit het venster".

 

10 "Waar zijt gij van den nacht geweest,?  Van den avond tot den morgen,

     Fi de romme, tomme tom, fi de roe lala, van den avond tot den morgen".

 

11 "Ik heb van den nacht bij de ruiter geweest, en daar heb ik bij geslapen,

     Fi de romme, tomme tom, fi de roe lala, en daar heb ik bij geslapen".

 

12 "Heb jij van den nacht bij de ruiter geweest?  en heb jij daar bij geslapen?

     Fi de romme, tomme tom, fi de roe lala, en heb jij daar bij geslapen?

 

13 "En als het kind ter wereld komt, zullen wij het in het water smijten,

     Fi de romme, tomme tom, fi de roe lala, zullen wij het in het water smijten".

 

14 "In het water smijten dat zullen we het niet, maar wij zullen het de vader zenden,

     Fi de romme, tomme tom, fi de roe lala, maar wij zullen het de vader zenden.

 

15 En de ruiter droomde eens op een nacht, en hij droomde zo bezwaarlijk,

     Fi de romme, tomme tom, fi de roe lala, en hij droomde zo bezwaarlijk

 

16 En hij droomde dat zijn allerschoonste maagd, in het kraambed was gestorven,

     Fi de romme, tomme tom, fi de roe lala, in het kraambed was gestorven.

 

17 En toen het morgen geworden was, liet hij zijn paardje zaad'len,

     Fi de romme, tomme tom, fi de roe lala, liet hij zijn paardje zaad'len.

 

18 Toen de ruiter onder de linde kwam, stond het lijk al op de bare,

     Fi de romme, tomme tom, fi de roe lala, stond het lijk al op de bare.

 

19 "Wel dragers zeg, wel dragers zeg, mag ik dat lijk eens kijken,

     Fi de romme, tomme tom, fi de roe lala, mag ik dat lijk eens kijken".

 

20 Toen de ruiter het lijk bekeken had, stak de sabel in zijn zijde,

     Fi de romme, tomme tom, fi de roe lala, stak de sabel in zijn zijde.

 

21 Daar lag nu de ruiter, en daar lag de meid, en daar lagen ze allebeide !

     Fi de romme, tomme tom, fi de roe lala, en daar lagen ze allebeide !

 

                ***************

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage