58       ZONDAGMORGEN KREGEN WIJ DE LOODS AAN BOORD 

                     (oost in C)

 

1  Zondagmorgen kregen wij de loods aan boord,

     En wij moesten vertrekken, voort ja voort,

     En het windje dat waait er voor ons zeer goed,

     En het water dat stond er wel zeventien voet,

     Zo zeilen wij de haven in, zo zeilen wij de haven in.

 

 2 In de haven van Terschelling met een volle zwier,

    En dat was voor ons een groot plezier,

    Negen weken gingen we in ons winterkwartier,

    En we gingen alle nachten aan de zwier,

    Naar de Terschellinger meisjes zoet, naar de Terschellinger meisjes zoet.

 

 3 Maar nu zijn we van onze pleziertjes ontroofd,

    En onze trosjes die staan vast al op het hoofd,

    Haal de sloepen en de jollen maar bij de hand,

    Maak de trosjes maar los met een goed verstand,

    Zo zeilen wij de haven uit, zo zeilen wij de haven uit.

 

 4 En ons topzeil in de top gezet,

    En ons kluiver en brikzeil bij, ja bij,

    En ons roertje dat lag een slag al in de lij,

    En zo zeilen wij de haven van Terschelling voorbij,

    Naar Amsterdam voorwaar, daar liggen nog meer schepen voor ons klaar.

 

 5 Nu adieu dan Terschellinger meisjes zoet,

    Wij verlaten u met spoed, schep moed,

    Want wij kunnen u niet nemen mee,

    Want wij gane naar de barre woeste zee,

    Naar Doggersbank voorwaar,  daar komen wij weer bij elkaar.

       

               *************** 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage