57     NAJAARSSTEM 

          (Oost in F )

 

1  Wanneer de zon met al haar pracht en pralen, zo menig rijst dat zij er d’aard mee streelt,

    Dan hoor ik ’t geschal van Koning en vasalen, dan is ’t Roza, al zag ‘k uw lief’lijk beeld.

    refrein:

    Laat vrij de lente bloeien, ‘k geef om haar weeld’ en pracht niet meer,

    Want uit haar held’re ogen, heb ik de min zien gloeien en van haar lippen horen vloeien,

    Ik min u zo teder, ik min u zo teer.

 

 2 Ja zo een kus, van hare roode lippen,ja zo een kus, die is mij alles waard,

    Voor geen Koningskroon zou ik haar willen missen,want mijn Roza is mijn geluk op aard,

    refrein:

 

 3 Vaarwel Roza, ik moet u gaan verlaten, ik moet gaan strijden op het veld van eer,

    Mocht ik mijn ziel en leven daarbij laten, dan zien w' elkander bij den Opperheer.

    refrein:

       

          *************** 

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage