­55      DAAR BUITEN IN DIE VELDEN

           (oost in G )

 

1  Daar buiten in die velden, daar staat een herberg fijn,

    Daar zoo vele heeren verkeeren, daar zoo vele heeren zijn.  ) bis

 

 2 De dochter had veel vrijers, de dienstmaagd had maar een,

    Zij zou d'r bedje maken, en zij riep:"O,God mijn Heer”.  ) bis

 

 3"Ach vrouwe", zeide zij,:"Vrouwe, wat is het dat mij bekoort,

    Ik zou d'r mijn bedje maken, en ik vond er een kind vermoord".  ) bis

 

 4"Wel hoere", sprak zij,:"Hoere, dat hebt gij zelf vermoord,

    Nu zal ik jou laten hangen, te Franeker, buiten de poort".  ) bis

 

 5"Zult gij mij laten hangen, te Franeker buiten de poort,

    Dan hoop ik dat God de Heere, een teken aan mij zal doen".  ) bis

 

 6 Drie dagen heeft zij gehangen, toen kwam haar zoetlief thuis,

   "Waar is mijn allerliefste, waar is mijn waarde bruid".   ) bis

 

 7"Is dat jou allerliefste, die zelf haar kind vermoord?

    Die heb ik laten hangen, te Franeker buiten de poort".   ) bis

 

 8"Ik kan u slecht geloven, ik kan u slecht verstaan,

   `k Heb haar hartje zo menigmaal bewogen,en zij heeft nog nooit mijn zin gedaan") bis

 

 9 Hij gaf het paard de sporen, en is er heen gegaan,

   "Hangt gij, mijn allerliefste, wat kwaad hebt gij gedaan".    ) bis

 

10"Ik hang niet, noch ik sta niet, maar ik rust in Maria's schoot,

     De engeltjes uit de Hemel, die brengen mij water en brood".  ) bis

 

11 Hij is naar de rechter gereden,   en zegt dat zij nog leeft,

     De dienstmaagd werd losgesneden, de dochter kwam in haar steę.   ) bis

 

12 De juffrouw die wierd gewurgd, de vroedvrouw wierd verbrand,

     Zo gaat het met zulke hoeren, die een ander brengen tot schand.  ) bis

    

          ***************

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage