54      ER ZOU EENS EEN MAGETJE 

           worden: Hoffman von Fallersteben ( oost in F )

 

1  Er zou eens een magetje vroeg opstaan, om hare zoetelief te zoeken gaan,

    Zij zocht er al onder de linde, maar zij kon hare zoetelief niet vinden.

 

2  Meteen kwam daar een heertje aangaan,en sprak:"Lief meisje wat doet gij hier

    te  staan?  Of telt gij alle groene bomen, en alle gele gouden rozen"?

 

3  "Ik tel de groene bomen niet, en alle gele gouden rozen,

    Ik tel de groene bomen niet, ik pluk alle gouden rozen niet".

 

4  "Zulks kan mij geen blijdschap geven, maar wel om in de echt te leven,

     Ik heb er mijn liefje verloren, kan je geen tijding van hem horen"?

 

5  "Hij is er op Zeelands douwen, en hij verkeert met die schoone jonkvrouwen",

    "Zo hoop ik dat God zijn leidsman mag zijn, met alle meisjes, die bij hem zijn".

 

6  Wat trok hij uit zijn mouwen?  Een ketting van roode gouwen.

    "Die ik, schoon kind U wil schenken, wil aan uw lief niet meer denken".

 

7  "Al waar de ketting nog eens zo lang, dat hij van den Hemel tot op d'aarde hang,

    Veel liever wil ik ze verliezen, dan dat ik een ander lief wil kiezen".

 

8  Toen ontroerde de heer zijn bloed, "Schoon kind, zie wel voor wat je doet,

    Gij bent er mijn rechte huisvrouwe, ik wil nooit er een andere trouwen”.

     

          ***************

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage