53      MIJN JULIA 

           (oost in C )

 

1  Mijn Julia is mij er ontnomen, waar of zij is, ik zie haar niet meer,

    Zij heeft mijn zinnen gans ontnomen, zij is mijn Julia niet meer.

    Zij heeft mij nu geheel verlaten, ik leef in smart en zij in pijn,

    Kan zij een trouwe minnaar haten. Ach Julia, hoe kan dat zijn.

 

2  Mij dunkt ik zie haar twee bruine ogen, die lonken mij zo vriendelijk aan,

    Haar lieve lipjes neergebogen, haar krullend haar fraai opgedaan.

    Haar rozenmond kon mij bekoren, haar tandjes als ivoor zo rein,

    Mocht ik haar lieve stem eens horen, ach Julia, waar moogt ge zijn.

 

3  Haar dansen kan een elk bekoren, haar vriendelijkheid gaat bovenal,

    De zanglust is haar aangeboren, haar stem is lievelijk geschal.

    Haar deugden en bevalligheden, al wat zij deed bekoorde mij,

    Ik was met haar zo weltevreden, ach Julia, kom toch bij mij.

 

4  Ik zwoer haar trouw met zoveel eden, ik herderszoon en zij godin,

    Ik was met haar zo weltevreden, ik noemde haar mijn engelin.

    Ach Julia, wilt mij ontfermen, ik hoor haar ras, zij spreekt geen ja,

    Verlicht uw minnaar, klagend kermen, ach kom bij mij, mijn Julia.

 

5  Leeft eenzaam paar in vergenoegen, mijn allerschoonste Julia,

    En wilt uw landje gaan beploegen, en weidt uw schaapjes langzaam aan.

    Wilt beiden in de echt vermaken, want Cupidootje is zo goed,

    Hij doet u veel genoegen smaken, want Cupidootje is zo zoet.

      

          *************** 

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage