50 DE VISSCHER EN ZIJN MEISJE

(oost in F )

 

1 Als de zon is uit de kim gerezen, ga ik met mijn hengelroe,

En wat bij t vissen meer moet wezen, naar de ruime plassen toe.

Om een baarsje te verrassen, vrolijk in het schomlend riet,

Langs t walletje groen bewassen, stoort de visser niemand niet.

 

2 "Hier laat ik mijn aasje zinken, met mijn pijpje in de mond.

Waar is de fles, ik moet eens drinken, een klein slokje is gezond.

Maar wat zie ik door de bomen,? Een lief meisje, hoort zij zingt,

Daar haar stem bij`t herwaarts komen, vrolijk in mijn oren klinkt".

 

3 "Kom wat nader, aardig meisje, zet u hier in`t groen wat neer.

Zusje lief, kom drink een reisje, O, wat is het bekoorlijk weer.

Rust hier zacht en zonder kommer, want gij schijnt alreeds vermoeid,

Rust hier zacht in`t koele lommer, zie hoe lieflijk`t stroompje vloeit".

 

4 "Neen, o visser, al die streken, van de vissers uit de stee,

Zijn mij meer dan eens gebleken laat mij gaan want ik moet heen.

Wat zou wel mijn vader zeggen,? Als ik hier mijn tijd versleet,

Daar hij achter gindse heggen, verlangend naar mijn komst verbeidt".

 

5 "Slechts n kusje, o mijn schone, gun, dat ik een korte poos,

U mijn liefde en vriendschap tone, lief zoet meisje, wordt niet boos.

Slechts n kusje, o mijn engel, mij ontvlucht mij, o wat spijt,

`k Had een baarsje aan mijn hengel, maar helaas, nu ben ik`t kwijt".

 

6 "Nu moet ik mij vergenoegen, met een baarsje uit het riet.

En ga mij weer tot vissen voegen, en stoor mij aan de meisjes niet.

Laat de meisjes vrij maar dwalen, zo bevallig en zo kuis,

Ik zou de reis wel duur betalen, en komen zonder baarsjes thuis".

 

***************

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage