5     HET ANTWERPSCHE MEISJE 

        (oost in C )

 

1    De liefde baart veel wonder, de liefde is dwingeloos

      Men heeft het ondervonden, van zulk een jong matroos.        ) bis *

 

2    Die in zijn jonge jaren,  beminde een rijk jonkvrouw,

      Die genegen was om te paren,   hij schonk er zijn hand op trouw.   ) bis *

 

3    Maar toen de vader dat hoorde, dat zij hem getrouwelijk sprak,

      Sprak hij met stuurse woorden: "Kies gij er een naar uw stand".  ) bis *

 

4    "Is dat voor u geen schande, een kind zoals gij geacht,

      Uw hartje zo teer te verpanden, aan zulk matroosje geslacht".     ) bis *

 

5    "Ach vader, ach lieve vader, stel al uw gramschap aan mij,

      Ik bemin hem als God den Vader, ik bemin hem voor altijd".      ) bis *

 

6    "Voor hem zo wil ik sterven, voor mijn beminde matroos,

      Prins en graven wil ik derven, ik blijf zijn beminde roos".      ) bis *

 

7    Zo gauw als de vader dat hoorde, dat zij hem getrouwelijk sprak,

      Heeft hij zijn dochter genomen, en haar op een kamer gebracht.    ) bis *

 

8    Zodra als `t matroosje dat hoorde, dat zijn zoetelief zat vast,

      Heeft hij met zoveel listen,  zijne zoetelief verlost.       ) bis *

 

9    Hij kocht matrozenkleren, door`t schrijven van een brief,

      En nam een lange ladder,   aan`t huis van zijn zoetelief.    ) bis *

 

10  Hij klopte aan het venster, en riep haar zachtjes aan:

      "Zoetlief houdt op met wenen"; "Mijn vriend, ik heb u verstaan.  ) bis *

                                                                                                       

11  Hij heeft haar venster ontsloten, hij is er naar binnen gegaan,

      Hij bracht haar naar beneden, gekleed als een matroos.     ) bis *

                                                                                         

12  Des morgens toen de vader, de ladder voor`t huis zag staan,

      Riep hij: "O God, mijn Vader, mijn dochter is weggegaan".   ) bis *

 

13  De vader schreef brieven aan lieden,  door heel het vaderland,

      Maar deze twee jongelieden, zij waren in Engeland.     ) bis *

 

14  Daar leefden zij gelukkig, tevreden voor altoos,

      Totdat de maagd Rozina, kreeg zij er een jong matroos.    ) bis *

 

15  `t Was twaalf maanden geleden, toen keerden zij wederom,

      Zij kwamen bij haar vader, zij waren wellekom.     ) bis *

                                                                            * West geen bis

          ***************

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage