49†††††† VAN TWEE KONINGS KIND'REN

†††††††††††† (oost in D )

1Daar waren twee konings kindíren, die hadden elkander zo lief,

††† Zij konden van elkaar niet scheiden, zij schreven elkaar een brief.) bis

 

2 `t Was nacht om twalef ure, dat 't meisje zag in haar droom,

††† Dat haar zoetliefje was verdronken, al in een waterstroom.†† ) bis

 

3 Het meisje sprak tegen haar moeder, "Wat doet mijn hoofdje zeer,

†† Mag ik straks een klein half uurtje,gaan wandelen langs het meer"?†† ) bis

 

4 De moeder sprak tegen het meisje, "Alleen kunt gij niet gaan,

†† Neem dan uw jongste broertje, dan kunt gij henen gaan".†† ) bis

 

5 Het meisje sprak tegen haar moeder, "Mijn broertje is veel te klein,

†† Hij verjaagt mij al de vogeltjes, die aan de meerkant zijn.) bis

 

6 De moeder ging naar de kerk, het meisje ging haar gang,

†† Zij wandelde, ja zij wandelde, tot zij bij een vissertje kwam.††† ) bis

 

7 Het meisje sprak tegen de visser, "Wilt gij verdienen een loon,

†† Werp dan uw net in het water,†† en vis er een Koningszoon".†††† ) bis

 

8 Het eerste wat hij viste, dat was een Koningszoon,

†† Zij kuste zijn dodelijke lippen, zij kuste zijn dodelijke mond.††† ) bis

 

9 De klokken begonnen te luiden, zij luiden, klein en groot,

†† Geen mens wist wat het beduidde, maar de Koningszoon was dood.††† ) bis

†††††

††††††††† ***************

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage