47        HET VROUWTJE VAN STAVOREN

                     ( oost in C / met bis)

 

 1  Hoort vrienden hoort een lied, dat duidelijk zal verklaren,

    Wat eenmaal is geschied, voor meer dan duizend jaren,

    Toen ’t oud en grijs Stavoren nog bloeid’op Frieslands grond,

    En van zijn macht deed horen, de hele wereld rond.               ) bis *

      

 2  Daar in die rijke stad, die jaarlijks duizend schepen,

     Belaân met 's werelds schat, haar haven in zag slepen.

     Daar leefde in roem en ere, een rijke weduwvrouw,

     Wier voorbeeld ons steeds lere, hoe hoogmoed komt tot rouw. ) bis*

 

 3  "Geen koper, neen maar goud", zo sprak zij,"Sier mijn woning",

     En`t huis voor haar gebouwd, leek`t woonhuis van een Koning.

     `t Was al wat d' ogen zagen, vol vorstelijke praal,

     En hoeft men niet te vragen, de stoep was van metaal. ) bis*

 

 4  De leuning was zeer schoon, uit louter goud gedreven,

     De deurknop scheen een kroon, van parelen omgeven.

     En brede zilv'ren platen, geklonken aan de grond,

     Bedekten al de straten, zover haar woning stond. ) bis*

 

 5  Daar treed een zeekapitein, haar bij de haven tegen,

     "Wat",sprak ze,"Zal het zijn"?  Wat schoons hebt gij verkregen?

     Wat heerlijks brengt gij mede, van`t overzees gebied,

     Uw schip ligt op de rede, maar hoe, gij antwoordt niet". ) bis*

 

 6  "`k Heb immers u gelast, het kost'lijks in te laden,

     Wat rondom de Oostzee wast, en`t oog hier kan verzaden.

     Wie zich aan prijs mocht storen, `k vraag nimmer wat het geldt,

     De weduw' van Stavoren, zij niet teleurgesteld". ) bis*

 

 7  "`k Bracht tarwe naar uw zin, `t was`t edelst wat wij vonden,

     Aan stuurboord kwam het in, zoveel wij laden konden".

     "Hoe", gilde zij, dol van zinnen, "Hoe tarwe, lage guit?

     Bracht gij ze aan stuurboord binnen, zo werp ze aan bakboord uit". ) bis*

 

 8  Helaas, het heerlijk graan, werd in de vloed geworpen,

     Een grijsaard zag het aan, uit een der naaste dorpen.

     "Beef", zei hij,"Beef O vrouwe, misschien lijdt ge eens gebrek,

     Dat nooit dit stuk u rouwe","Zwijg", sprak ze,"Grijze gek". ) bis*

 

 9  Zij lachte en greep een ring, en wierp met luid geschater,

     Terwijl ze henen ging, hem weg in`t woelend water.

     "Kijk", sprak ze,"Dwaze kerel, eer geeft de zee weerom,

     Deez' schone ring en parel, eer ik tot armoe kom".   ) bis*

 

 10 Het duurde een dag of acht, toen werd op haar verlangen,

     Een grote vis gebracht, zo pas uit zee gevangen.

     En sidderend zonk zij neder, want reeds met d'eerste snee,

     Vond zij de ring hier weder, geworpen in de zee. ) bis*

 

11 Daar treed een dienstknecht in: "Uw schepen zijn verloren,

     De zee zwolg ze allen in; Gods straf rust op Stavoren” !

     Een and're knecht treed binnen, en biedt een brief haar aan,

     "God", gilt zij, woest van zinnen, "Mijn glorie is gedaan". ) bis*

 

12 Beroofd van geld en goed, veracht van wie haar kenden,

     Was ze, als`t geschiedboek meldt, ten prooi aan alle ellende.

     Nog doet de nazaat horen, der hovaardij tot les,

     Dat`t vrouwtje van Stavoren, stierf als een beed'lares. ) bis*

 

13 Nog ziet men aan het strand, zo rijk in vroeger dagen,

     De haven, gans verzand, een zee van halmen dragen.

     Maar ledig zijn die aren, geen korrel lacht u aan,

     Als blijk, wat hier voor jaren, Gods Almacht heeft gedaan. ) bis*

 

 

14 Ja, hoogmoed wordt verneęrd, is wisse val beschoren,

     Wij hebben`t hier geleerd, van`t vrouwtje van Stavoren.

     Wilt vrienden er aan denken, wat ook het lot u biedt,

     `t Is God die`t u wil schenken, en hoogmoed past ons niet.   ) bis *

                                                                            (*west  geen bis)   

                          

                                      *************** 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage