38   ANTOON EN ANNA 

       ( Oost in D )

1  Antoon was een ferme jongen, Anna was een schone maagd,

    Antoon hield veel van het meisje, maar werd door de min geplaagd,

    Toen sprak hij:”Ach lieve schone”, zo sprak hij eind’lijk tot haar,

    Anna bloosde, gaf het ja-woord, O hoe blij was toen het paar.

 

2  Maar de vader van het meisje, werd vertoornd, toen hij`t vernam.

    En verbood de arme Antoon, dat hij bij het meisje kwam.

    "Ik ben rijk",zo sprak de trotse,  "En zou ik mijn dochter dan,

    Laten trouwen met een arme?   Nee, een rijke zij haar man".     ) bis

 

3  Treurig dwaalde d'arme Antoon, om zijn liefjes woning heen.

    En wat voeld' hij zich gelukkig, als zij voor het raam verscheen.

    "Blijf mij trouw", zo riep hij zachtjes, "Wellicht krijg ik u tot vrouw",

    Anna fluisterde van boven:  "Houd moed Antoon, ik blijf u trouw"  ) bis

 

4  Eenmaal op een winteravond, stond hij weer voor Anna's raam.

    Toen hij licht zag in haar kamer, riep hij zachtjes Anna's naam.

    Op zijn stem kwam zij aan't venster, en hij smeekte tot zijn schat,

    Zolang, dat ze door de tuindeur, heimelijk naar buiten trad.     ) bis

 

5  O, wat waren zij gelukkig, toen zij in zijn armen lag.

    Maar die trotse rijke vader, die het ganse schouwspel zag.

    Sloot de tuindeur voor zijn dochter, en toen zij naar huis wou gaan,

    Vond zij alles afgesloten, bibberend bleef zij buiten staan.   ) bis

 

6  Antoon, die haar vergezelde, kust het meisje keer op keer.

    En door`t zachte minnekozen, dachten zij aan wind nog weer,

    Maar door`t scherpe Oostenwindje, dat langs`t naaste bosje vlood,

    Was dra`t minnend paar bevroren,  's morgens vond men ze beiden dood.  )bis

 

                  ***************

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage