37    MIJN TAMBOERIJN 

        (oost in C )

 

1 Mijn tamboerijn klinkt heel de dag, hij klinkt tot s’avonds laat,

   Ik heb gezongen en gedanst, op marktplein en op straat.

   Men gaf niet veel, ja menigeen, zag mij minachtend aan,

   En sprak”Zeg deerne, kunt gij niet, als ik uit werken gaan”?

 

2 Uit werken gaan, ik kan het niet, ik heb het nooit geleerd.

   Mijn handen staan, al wilde ik ook, voor al het werk verkeerd.

   Mijn ouders waren bedelaars, en leefden bij de dag,

   Ik volgde, kon ik anders doen, het voorbeeld dat ik zag.

 

3 Zij eisten dat ik beed'len zou, en ik moest gehoorzaam zijn,

   Ik werkte niet, maar ik danste en zong, en sloeg de tamboerijn.

   Zo wierd ik groot, zo wierd ik maagd, zo ging het altijd voort,

   Mijn moeder stierf,en mijn vader kwam, op het schavot voor moord.

 

4 Nu zwerf ik eenzaam over d'aard, er is niemand die mij kent,

   Of niemand die, een vriend'lijk woord   , of groeten tot mij wendt.

   "Zeg luie deerne, kunt gij niet, als ik, uit werken gaan".

   Dat zegt men wel, maar andere taal, heb ik nog nooit verstaan.

 

5 O ja, `t is makkelijk gezegd, maar een ieder die zo sprak,

   Had wel een wieg, maar stond die ook, slechts onder beed'laars dak?

   Was het eerste wat hij zeggen kon, een kleinigheid, mijnheer,

   En lag zijn hoofd, des avonds ook,  op bedelvodden neer?

 

6 Dat leerde'k voor de moedernaam, mij van de lippen kwam,

   Zo lag ik, als de zoete slaap, mij in zijn armen nam.

   Uit werken gaan, toe leer het mij.  Ik zal oplettend zijn,

   Gij wilt dat niet? wat rest mij thans, niets dan mijn tamboerijn.

 

7 Klinkt op dan lustig, schel en luid, en sla de maat bij`t lied,

   Ik zing en speel een kleinigheid, want werken kan ik niet.

   Men geeft niet veel, ja menigeen, ziet mij minachtend aan,

   En spreekt:"Zeg deerne, kunt gij niet, als ik uit werken gaan.

 

                 ***************

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage