3      HOE KAN DE ZEE ZIJN

          (oost in C , west in D)

 

1   Hoe kan de zee zijn zonder baren, hoe kan een minnaar leven zonder pijn,

     Zonder droefheid en bezwaren,                        ) bis

     En hoe kan een zee zijn zonder baren,

     Hoe kan een minnaar leven zonder pijn.          ) bis

 

2   Hoe kan een minnaar zich vertrouwen, al op degene die hij bemint.

     Op de zwakheid der jonkvrouwen,                   ) bis

     Daar kan hij zich niet op vertrouwen,

     Zij zijn veranderlijker als de wind.                     ) bis

 

3   Heden is hij Oosten en morgen weer Westen,

     Heden is hij Zuiden en dan weer Noord.

     Heden is het vriendschap en morgen weer kwestie,

     Zodoende raken zij geen akkoord.

 

4   Maar ach, ik wil om haar niet treuren, gelijk een tortelduifje doet,

     Want zulks ziet men meer gebeuren,               ) bis

     Maar ach ik wil om haar niet treuren,

     Vaar dan maar wel mijn liefste zoet.                ) bis

 

5   Zij die mij eerst tracht te beminnen, maar ziet zij toont een stuurs gemoed.

     Want zij is zo trots van zinnen,                          ) bis

     Ik kan haar niet langer beminnen,

     Vaar dan maar wel, mijn liefste zoet.               ) bis

 

6   Zou ik haar nog eens durven aanschouwen, zij, die daar niet zo minnen gaat.

     `k Ga dan liever met een zoetlief trouwen,      ) bis

     Zou ik haar nog eens durven aanschouwen,

     Had ik zulks ooit van haar gedacht.                 ) bis

 

7   Ik ga dan maar bij die wilde dieren, die daar lopen al in het woud.

     Die door bos en velden zwieren,                      ) bis

     Al bij die wilde stomme dieren,

     Die op zijn schepper zich maar vertrouwt.       ) bis.

        

          ***************

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage