27        HOE VROLIJK KAN EEN BOER NIET LEVEN  

              (oost in G )

 

1  Hoe vrolijk kan een boer niet leven, als hij zijn land en volk aanschouwt,

    En aan een ieder het zijne kan geven, en tevens ook op God vertrouwt,

    Een boer die zaait en maait het land, en wacht de zege van Gods hand.  ) bis

 

2  Als hij de morgen op ziet klaren, vangt elk met nieuwe lusten aan,

    Als zij het golvend graan vergaren, en als de arbeid is gedaan.

    Jaagt hij zijn beestjes in het land, de boer zegt Gode lof en dank.     ) bis

 

 3 Hoe zou een bakker toch bewerken, dat lieve brood, dat men graag eet,

    Zo God de boer niet kwam te sterken, en maken het daarvoor gereed.

    Hoe zou men leven in de ste๊ ?   wanneer de boer het werk niet dee.      ) bis

 

4  Hoe zou een zeeman kunnen leven, wanneer de boer niet deed het werk,

    `t Is waar,God moet de wasdom geven, en maken hem door zijn goedheid sterk.

    Daarvoor toont hij zijn dankbaarheid, na zijn volbrachte arrebeid.     ) bis

 

5  Als gij zijt aan uw dis gezeten, sla op uw tafel dan een loer,

    Aanschouw dan eens dat goede eten, het komt toch alles van de boer.

    Dus mens, zo dikwijls als gij eet, de boerenstand toch niet vergeet.     ) bis

 

6  `t Is waar, de zeeman brengt veel waren, uit allerhande landen aan,

    Maar als er eens geen boeren waren, hoe zouden wij dan ook bestaan.

    `t Komt alles van de boerenstand,   maar God is meester van het land.  ) bis

        

          *************** 

Geluidsfragment

 

Volgend lied 

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage