20†††††† VANEENMOORDENAAR

††††††††††† (oost in C) ( West pauze tussen de regels)

 

1Hoe helder de zon en hoe duister de maan, hoe zal het met mij wezen,

††† Als ik mijn hoofdje nederleg, zal ik er niet meer wezen.

††† Och jongelieden, ik ben nog zo jong, nog maar zeventien jaren,

††† Maar door de liefde kwam ik in doodsgevaar.) bis

†††

2Ik vrijde haar, zo'n jonge maagd, die ik zo teer beminde.

††† Ik had uit liefde en trouwigheid, op haar gezet mijn zinnen.

††† Maar toen ik werd tot mijn leed gewaar, dat er een ander lief was bij haar,

††† O, welk een smart, voor een ander was haar hart.††† ) bis

 

3De eerste Paasdag,`s avonds laat, kwam mij de liefde storen.

††† Ik nam het scheermes in de hand, O God wil mij aanhoren.

††† En ik gaf haar, daad'lijk en terstond, een zware, dod'lijke wond,

††† Stervend riep zij;"O God, wees mij genadig in mijn lot".†† ) bis

 

4Toen ik deez gruwel had volbracht, dacht`k mij te brengen om`t leven.

††† De nachtwacht die kwam dadelijk aan, en hoorde mij bitterlijk wenen.

††† Zij hebben mij toen gearresteerd, en naar het huis getransporteerd,

††† Doch ik was wel te moed, dat ik haar stromen zag in haar bloed.) bis

 

5De andere dag terstond daarna, kwam mij de rechter vragen.

††† "Zeg, jong'ling, zeg mij uw misdaad, wat hebt gij u slecht gedragen".

††† "O Heren, ziet er deez moordenaar aan, wie hier uit liefde voor u staat,

††† Breng mij maar ter dood, want mijn droefheid is zeer groot".†††† ) bis

 

6Toen ik kwam voor het tribunaal, mijn vonnis werd voorgelezen.

††† Dat ik de dood moest ondergaan, dat scheen mij niet te vrezen.

††† Daar mij die straf werd opgeleid, en ik daartoe wel was bereid,

††† Ja, ik was zelfs verheugd, dat ik moest sterven in mijn jeugd.†††† ) bis

 

7Maar ziet, de dag en`t uur brak aan, dat ik de dood moest sterven.

††† `k Zag daar zovele mensen staan, God zal mijn ziel beŽrven.

††† Jongelieden,neem thans een voorbeeld aan mij, want mijn ziel lijdt bittere pijn,

††† Ziet, ziet hoe ik lijd, mijn ziel gaat naar de eeuwigheid.††††† ) bis

 

8Voor`t laatst dan, jongelieden al, wil naar mijn afscheid horen.

†† Wanneer de liefde U brengt ten val, wilt dan elkaar niet storen.

††† Beklaagt tezamen mijn droevig lot, en drijft nooit met de liefde de spot,

††† Adieu, voor altijd, mijn ziel gaat naar de eeuwigheid.††††† ) bis

††††††††††

††††††††† ***************

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage