2        ER ZOU EENS EEN JAGER

           (oost in C )

 

1   Er zou eens een jager uit jagen gaan, uit het jagen ja, zoude hij gaan.

     En wat vindt hij al op zijne wegen?  een aardig lief meisje verlegen,

     Zij was er vrij aangedaan, ja daan,  zij was er vrij aangedaan.

 

2   En ik groet je en ik moet je, mijn engelin, mocht ik er eens bij d'r jou zijn.

     Mocht ik er eens bij d'r jou slapen, U, aardig jong meisje genaken,

     Genezen was al mijn pijn, ja pijn, genezen was al mijn pijn.

 

3   En al bij d'r mij slapen, dat kan er niet zijn, sprak`t aardig lief meisje tot mijn.

     Maar kom vanavond zoetelief, in de nachte, dan zal ik jou schoonheid verwachten,

     Dan zal ik jou laten in, ja in, dan zal ik jou laten in.

 

4   En de dag die verdween, en de avond verscheen, dat de jager uit jagen zou gaan.

     En hij blies er op zijne veldhoorn, om`t aardig lief meisje te bekoren,

     En zij liet er de jager in, ja in, en zij liet er de jager in.

 

5   En de moeder die sliep en de vader die riep:"Waar mag toch ons dochtertje zijn?

     "Wat mag toch ons dochtertje maken", want zij hoorde de bedstede kraken,

     "Zij is er voorwaar niet alleen, alleen,  zij is er voorwaar niet alleen”.

 

6   En de vader stond op en de moeder stond op, en ze zijn er naar boven gegaan.

     En daar lagen zij, arm in arm, zoo lief en zoo lekker, zoo warm,

     Zoo liefelijk bij elkaar, elkaar, zoo liefelijk bij elkaar.

 

7   En Vader vergeef het mij dezen keer, en ach Moeder, ik zat in nood.

     Dat de jager bij mij licht te slapen, dat geeft er wel huwelijkszaken,

     Hij bemint mij tot in den dood, ja dood, hij bemint mij tot in den dood.    

                                                                                              

          ***************

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage