17          NAAR HET ROZENLAND ZO ZIJNE WIJ GEVAREN

                 (oost in C)

 

1  Naar het rozenland zo zijne wij gevaren, en daar woonde ja voorwaar mijn zoetelief,

    Al voor  mijn zoetelief haar deurtje, en daar stonden, ja twee boomgaardjes schoon. ) bis *

 

2  Aan de ene groeid' een notenmuskaatje, aan de andere een kruidnagel zoet,

    Ik dacht, ik vrijde naar zo`n rijke,  maar het was, helaas een arme bloed.  ) bis *                

 

3  En ik nam haar toen bij haar armen, en ik kuste haar zoo zoet en zoo rood,

    En`k vrijde haar zoo lief, zoo lekker,  ja, tot onder deze boomgaardjes toe.  ) bis *                 

 

4  En de boomgaard die was er gesloten, en daar woonde, ja voorwaar niemand in,

    Niets als het lieve nachtegaaltje, en dat vloog er, ja  van boven in.     ) bis *                     

 

5  En nu zullen wij het nachtegaaltje binden, met het hoofdje al onder zijne voet,

    Opdat het niemand zal verklappen, wat men onder deze boomgaardjes doet.    ) bis *           

 

6  En nu zullen wij het liedje gaan besluiten, ja, ter eere van de bruidegom en bruid,

    En dan weer vrolijk, vrolijk klinken, en zoo drinken wij ons glaasje weer uit.  ) bis

                                                                                                      (* West met bis)

          ***************

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage