151     t ' LOOZE  VISSERTJE

          (oost in C)

 

 1 Te Groenland op die klippen, daar valt er een zoo koude sneeuw,

    Van kou, klap in mijn handen, en van kou, klap op mijn tanden,

    En mijn hoofdje dat doet mij er zoo zeer.

 

 2 Klapt gij al in uw handen,  en doet er uw hoofdje zoo zeer,

    Kom dan maar op mijn stoven,   En op mijn slaapkamer boven,

    En daar vriest het nooit nimmer meer.

 

 3 Toen hij op hare stoven,   en op hare slaapkamer kwam,

    Toen deed hij niets dan vragen,   "Zoetlief, hoe durf je`t wagen,

    Waar is uw getrouwde man".

 

 4 Hoe kun je mij dat vragen,   waar dat mijn getrouwde man is ?

    Mijn man is naar de kerke,   om te horen naar Gods werke,

    Om te horen Gods heilig woord.

 

 5 Is Uw man al naar de kerke?   hij zit er bij de koele wijn !

    Kom laat ons eten, drinken,   en de wijn zal ik u schenken,

    En kom, laat ons vrolijk zijn.

 

 6 Maar toen zij aten, dronken,  kwam haar echte, getrouwde man.

    Toen moest dat loze visschertje, van boven door dat dissertje,

    Van boven dat venster uit.

 

 7 Wat ploft daar in dat water,   en wat ploft daar in die sloot ?

    Dat zijn die loze snoeken,   die daar zwemmen in die hoeken,

    Die daar zwemmen al in die sloot.

 

 8 Ze ging een netje spreiden,   de loodjes gingen tot den grond.

    De eene was een snoekje,   weggescholen in een hoekje,

    En het tweede, dat was wat raars. 

 

          *************** 

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage