146     DE WIJNDIEFSTAL 

          (oost in G)

 

 1 Meneer had in de kelder  staan, een vat met rode wijn,

    Maar toen hij aan het tappen wou gaan bleek hij er bestolen te zijn,

    Hij heeft dat gezegd al tegen zijn vrouw en wie of de dader er van wezen zou,

    En toen hebben zij samen gevist, niemand die daar het rechte van wist.  ) bis

 

 2 En meneer kwam op een morgen vroeg, in de kelder krek van pas,

    En hij trappeerde daar de meid, zo lekker als zij daar maar was,

    En sprak:"Jij bent mijn hart zoetlief, en nou betrap ik je hier als dief,

    En nou ligt het maar even aan jou, als ik het zeggen zal tegen mijn vrouw". ) bis

 

 3 En de meid die bleef bedremmeld staan, met een flink stuk in de kraag,

    En ze dacht wanneer mevrouw dit hoort, dan wordt ik weg gejaagd,

    Daarom nam zij een kloek besluit, en dat bande al haar zorgen uit,

    En zij sprak: "Ach lieve heer, pak en kus mij dan maar een keer".   ) bis

 

          *************** 

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage