143 DE WACHTENDE MINNARES

wrden: M v.Heijst (oost in Bes)

 

1 Wat wordt het laat, de klok slaat acht, waar of mijn Dorus blijft,

t Valt moeilijk als men iemand wacht, en als de vrees ons drijft.

Zou k twijfelen aan zijn trouw, heeft hij misschien berouw,

Dat hij een meisje zonder geld,

Gevraagd heeft tot zijn vrouw. ) bis

 

2 Maar foei wat doet het ongeduld, mij onrechtvaardig zijn,

`k Veroordeel hem steeds buiten schuld, en doe mijzelven pijn,

Ik love zijn braaf gemoed, hij zocht geen geld of goed,

Maar een oprecht en deugdzaam hart,

Dat aan zijn wensch voldoet. ) bis

 

3 Weg, weg met ongegronde vrees, `k verlang naar hem met smart,

Opdat`k uit zijn oogen lees, `t gevoelen van zijn hart,

Blijf Dorus mij getrouw, en wordt ik eens zijn vrouw,

Dan leeft er geen vorstin op aard,

Waar ik mee ruilen zou. ) bis

 

4 Geen groter schat of overvloed, ons`t waar genoegen geeft,

De liefde die ons hart voldoet, maakt dat men vroolijk leeft,

Dan deelt men vreugd en druk, geluk en ongeluk,

En draagt getroost en welgemoed,

Tezamen`t huwelijksjuk. ) bis

 

5 Maar nog, nog komt mijn minnaar niet, elk uur schijnt mij een dag,

Wat baart zijn afzijn mij verdriet, wat of hem deren mag,

Ik kijk alweer eens uit, maar zacht ! ik hoor geluid,

Hij is`t o ja, wat klopt mijn hart,

Kom Dorus, kus uw bruid. ) bis

***************

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage