140†††† ZEG PELGRIM ZIET GIJ DEZE STEEN

††††††††††††† (oost in G)

1 Zeg Pelgrim ziet gij deze steen, met donker mos begroeid ?

††† Waar op het dalend avondrood met donkíren weerschijn groeit,

††† Hier ligt de schoonste maagd van ít plek, in aardrijks kouden schoot,

††† En aan haar zij haar jongeling, haar trouw tot in den dood.†† ) bis

 

2 Haar rijke vader was vol trots,tegen de edíle jongling's min,

††† Aan wien met onverdelg'bre ziel, d' aanminnige Emma hing.

††† "Ik vloek u eeuwig", sprak zijn mond, "wordt ge eenmaal Eduards vrouw",

††† En was voor haar gebeden doof, en spotte met haar trouw.†† ††††) bis

 

3 Hij spotte tot zij uitgeteerd, op`t sterfbed nederzonk,

††† En 's levens laatste flikkering,in`t bleeke aanschijn blonk.

††† Toen greep een woeste smart hem aan, hij stond verstijfd van schrik,

††† En wierp zich aan haar sponde neer, met wanhoop in den blik.††††††††††† ) bis

 

4 Haar Eduard ging door duisternis, op`t kerkhof nederzeeg,

††† De lichte maan met bleeken glans, uit donk're wolken steeg.

††† "Ach dierbre Emma", zucht hij zacht, wat blijft mij meer op aard,

††† Niets is mij thans, nee ik u mis, zelfs `t leven niet meer waard.†††† ) bis

 

5 Dus zucht hij, aan het graf geknield, met treurig stil geween,

††† En waggelt dan met zachten tree, weer naar zijn woning heen.

††† Hij teert en kwijnt allenkens uit,en zinkt op`t ziekbed neer,

††† Een dof gebrom der doodsklok sneld, ook Eduard is niet meer.††††††††††† ) bis

 

6 Nu rust hij aan zijn Emma's zij,in 's aardrijks kouden schoot,

††† Waar hij met haar den glans verbeid, van`t Eeuwig morgenrood.

††† Om daar te zaam, in Hemelvreugd, voor Godes troon te staan,

††† Strooi Pelgrim, bloemen op hun graf, en wijd hun ook een traan.††††††††† ) bis

††††††††††††††††††††††† †††††††††††

††††††††† ***************

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage