134 t WAS AL OP EEN ZONDAGMORGEN

(oost in Bes)

 

1 t Was al op een zondagmorgen, t was al in de maand van mei,

Dat het lieve kind ging wandelen, al met haar minnaar aan haar zij.

 

2 Zij wandelden zo plezierig, De geheele singel rond,

Totdat hij in de lenteavond, Het meisje weer naar huis toe zond.

 

3 En ze kwamen al aan haar woning, Al waar haar lieve moeder woont,

Ach, hoe innig kuste de jong'ling, Het meisje, ja al op haar mond.

 

4 Hij kust, zij kust hem teeder, En het meisje knielt voor hem neer,

En het arme kind dat zuchte, Het was al voor de eerste keer.

 

5 En het maantje aan de hemel, Ja dat zag het schouwspel aan,

En daar waren nog twee andere oogen, Die het aanschouwen met de maan.

 

6 En het maantje kon wel zwijgen, Maar de menschen zwijgen niet,

En des morgens wist een ieder, Wat er des avonds was geschied.

 

7 En tot overmaat van rampen, Kwam hare moeder dit ter ore,

En ze raasde en ze tierde, Al de gehele dagen door.

 

8 En komt nu die arme jong'ling, Ook al in de herberg hier,

Ja dan hoort men dikwijls fluist'ren, Het was al voor de eerste keer. ) bis

***************

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage