133     TWEE GELIEFDE  of  HET MINNEND PAARTJE 

          (oost in G)

 

 1 Op een schoone zomermorgen, zaten in het weeldrig groen,

    Twee geliefden naast elkander, aan een zilveren waterplas,

    Roosjes bloeiden, langs de velden, aan een beekje, o  zoo schoon,

    En de jong’ling vlocht voor ’t liefje, van die bloemen eene kroon.  ) bis

 

 2 Hij bekroonde thans zijn liefje,  zij verstiet haar minnaar niet,

    Dat hij door haar blonde lokken,  zijne ving'ren glijden liet.

    Maar opmerkzaam lag ze haar hoofdje,  op zijn schouder, ja en toen,

    Stortte zij met hare zinnen, in een stillen zoete droom.           ) bis

 

 3 Maar die droom deed haar ontwaken,  en de min die overwon,

    Begon het meisje te vertellen,  hetgeen ze niet langer zwijgen kon,

    Eeuw'ge trouw, ja eeuwige liefde,  zoo zwoer ons dat lieve kind,

    En zij riep met al haar harte: "ik heb u altijd teer bemint".        ) bis

                                   

          *************** 

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage