131   OP HET KERKHOF 

        ( oost in C)

 

 1 Op ’t kerkhof zekeren nacht, zag men een meisje knielen,

    Wijl vlokjes sneeuw zoo stil en zacht, op ’t aardrijk nedervielen,

    De graver ging het kerkhof rond, toen hij een meisje biddend  vond;

    “O geef mij Albehoeder”. “Wat doet gij meisje, nog zoo laat,

    Er is geen mensch meer op de straat”. “Ik vraag aan God, mijn moeder”.

 

 2 "Ik dwaal hopeloos straat op, straat neer,   Moest het mijn moeder weten,

     Zij keerde wis wel spoedig weer,   Ik heb vandaar nog niet gegeten.

     Ik vroeg aan gindsche deur wat brood,   Men lachte en spotte met mijn nood,

     Men joeg mij van de trappen,   Dat was de hulp die men mij gaf,

     O, man ontsluit dit dierbaar graf,   `k Wil bij mijn moeder slapen".

 

 3  "`k Mocht in een vriend'lijk vader woord,   Helaas mij nooit verblijden,

     Door zwoegen werd hij vroeg vermoord,   `k Ben ook van haar gescheiden.

     Die eindeloos werkte voor haar kind,   O, ze heeft me toch zoo zeer bemind,

     `k Moest haar voor altijd derven,   Zij blikt nu zeker op mij neer,

     O, God geef mij mijn moeder weer,   Of laat mij liever sterven".

 

 4  De graver tilt het van de grond,   Ijlt naar zijn woning henen,

     Geen zucht ontvliedt aan`s meisjes mond,   Hij hoort haar niet meer wenen.

     Maar`t is, alsof hij nog`t woord,   Van`t biddend stemmetje immer hoort,

     "O, geef mij Albehoeder",   De vrouw ontving haar in haar schoot,

     Te laat, helaas het was al dood,   Het was bij hare moeder.

 

          *************** 

 

 

Geluidsfragment

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage