123   DE VALSCHE MINNAAR

       (oost in F)

 

 1 Hoort dochters hoort, aanhoort mijn droefheid klagen,

    Ik was een spruit van twee en twintig jaren,

    Maar door een valsch minnaar, die bracht mij in gevaar,

    Maar door zoo’n valsche vrind, werd ik in schijn bemind.

 

 2 Hij kwam bij mij, zijn zoete woorden spreken,

    En zoo heeft hij, mijn maagdendom verkregen,

    Hij sprak mij aan met vlijt, mijn allerliefste meid,

    Niemand als gij op aard, is mij de liefde waard.

 

 3 Hij kwam bij mij, zijn zoete woorden luchten,

    En sprak:" Zoetlief, laat ons tesamen vluchten,

    Maar aan die Fransche kant, liet hij mij in de brand,

    Hij liet mij gansch alleen, met zuchten en geween.

 

 4 Ik slijt mijn dagen met tranen en met zuchten,

    O, Grote God, waar moet ik henen vluchten,

    Helaas wat nu gedaan, de barendsnood komt aan,

    Ik kan geen voet meer gaan,O God wil mij bijstaan.

 

 5 Toen heeft zij zich in`t bos begeven,

    Waar zij een jonge vrucht schonk het leven,

    Zij riep zoo menigkeer, zag ik mijn minnaar weer,

    Zag ik mijn waarde vriend, de vader van mijn kind.

 

 6 Ja, zeven jaar heb ik moeten zwerven,

    En daaglijks voor mijn kindje moeten werken,

    Maar ach ik treur niet meer, hier is de minnaar weer,

    Hier is de ware vrind, de vader van het kind.

 

 7 Toen hebben wij ons naar de stad begeven,

    Om daar oprecht en teder te gaan leven,

    Wij traden in den trouw, als ware man en vrouw,

    En na zoveel getraan, het lijden was gedaan.

           

          ***************

 

Geluidsfragment 

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage