12       LUISTERT OUD EN JONG VAN JAREN 

             (oost in F )

 

1     Luistert oud en jong van jaren, die nog leven in deez’ tijd,

       ’t Geen ik U zal openbaren, is van groot misdadigheid.  ) bis

 

2    `k Had een meisje dat ik minde, maar toen ik zag dat zij ging zwaar.

      Toen heb ik haar laten varen, en ik kwam nooit meer bij haar.    ) bis

 

3    Eens stond zij mij daar te wachten, daar buiten aan deez’ hoek of kant.

      Waar zij deed haar bittere klachten, hetwelk ik nam voor een grote schand.  ) bis

 

4    Ik sprak:"Zoetlief laat ons wat rusten, want ik kan geen voet meer gaan".

      Toen kreeg ik mijn moordenaarslusten, en ik randde haar dadelijk aan.   ) bis

 

5    `k Heb haar`t hoofd van`t lijf gesneden, en haar handen allebei,

      Haar laatste woorden die zij zeide,   waren:"O God, o helpe mij".   ) bis

 

6    Ik delfde haar terstond ter aarde, al met een wreed en stuurs gemoed,

      Ziet hier ligt een pand van waarde, met mijn eigen vlees en bloed.   ) bis

 

7    `k Ben toen daar vandaan getreden, `k dacht, ach niemand weet ervan,

      Slechts ččn dag daarna geleden, werd ik een gevangen man.  ) bis

 

8    `t Was juist een heer die daar ging jagen, zijne hond die vond het graf,

      Heeft het hoofd toen meegedragen,`t welk het schrik voor`t volk toen gaf. ) bis

 

9    Deze hond kwam zonder wachten, met een hoofd voor tafel staan,

      Ieder sprak naar zijn gedachten, dat er was een moord begaan.  ) bis

 

10  Het gerecht ging visiteren, zij namen mee diezelfden hond,

      Die ook zonder te mankeren, `t gehele lichaam vond.    ) bis

 

11  Al met haar afgesneden handen, de vrucht was nu haar leven kwijt,

      Ieder sprak naar zijn verstande, ik weet wel wie haar heeft gevrijd.     )bis

 

12  Des andere daags wierd ik gevangen, en zij brachten mij daarbij,

      Wierd gebonden aan mijn handen, spraken:"Vriend, dat werk kunt gij".    ) bis

 

13  Ik kon mijn misdaad niet mistuigen, het bloed sprong uit mijn neus en mond,

      Hier moest ik mijn wreedheid buigen, ik sloeg mijn ogen naar de grond.     ) bis

 

14  Met rouw in`t hart en bittere klachten, heb ik den nacht steeds doorgebracht,

      Met veel schrik in mijn gedachten, als ik aan mijn zoetlief dacht.         ) bis

 

15  Maar toen aanbrak den andere morgen, ze brachten mij voor de vierschaar,

      `k Stond met mijn aangezicht verborgen, aanstonds was mijn vonnis klaar.   ) bis

 

16  Mijn vonnis werd mij voorgelezen, dat ik de dood moest ondergaan,

      De strafplaats werd mij aangewezen, aanstonds was mijn vonnis klaar.   ) bis

 

          *************** 

 

Geluidsfragment

 

 Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage