119  KOLIJN EN DE FIERE SCHOONE 

        (oost in C )

 1 Kolijn een brave boerenzoon, het puikje van de dorpelingen,

    Arbeidzaam, welgemaakt en schoon,

    Dorst naar Lizette’s  hand te dingen.    ) bis

 

 2 Het meisje, schoon ook maar boerin, had menigmaal de stad bekeken,

    En hare zinnen waren thans,

    Van veld en kudde gansch geweken. ) bis

 

 3 "Neen",sprak de fiere schoone,"Neen, geen boer zal ooit mijn hand bedingen",

    Kolijn trad nu gramstorig heen,

    En ging de zachte Fillis minnen. ) bis

 

 4 Nu dorst geen enk'le boer aan haar, te denken, nog veel min te vragen,

    Zij wachte al van jaar tot jaar,

    Totdat er een steeman op kwam dagen. ) bis

 

 5 Thans is zij veertig jaren oud, haar schoon gelaat is gansch geweken,

    En`t eenigst wat haar bezig houdt,

    Is kwaad van jongelieden spreken. ) bis

 

 6 Zij gloeit van spijt en stille smart, nu zij Kolijn's geluk hoort roemen,

    Daar in`t heimlijk, zij haar hart,

    Zich om haar dwaasheid zelf moet doemen. ) bis

 

 7 Meisjes die gaarne zijt getrouwd, laat u Lizet tot voorbeeld wezen,

    Dat ge op geen dwaze hoop vertrouwt,

    Wijl gij dan ook haar lot mocht vreezen. ) bis

 

 8 Als u een brave jong'ling vraagt, laat hem dan ook uw hand verwerven,

    Dewijl ge anders lichtlijk waagt,

    Als oude vrijster ook te sterven. ) bis

            

          ***************

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage