104  `t WAS OCHTEND EEN MEISJE GING WAND'LEN AAN STRAND

          wňrden :A.C.W.Staring. wiiz :  E.Wettig-Weissenborn   (oost in C )

 

 1 ’t Was ochtend, een meisje ging wand’len aan ’t strand, een bootje dat vlagde, lei ree,

    En steeds was de vriend’lijke schipper ter hand, die sprak:”Schoon kind, wilt gij mee”?

    “’t Is het rechte getij om te varen, nu de morgenzon glanst op de baren,

    Grijp moed, schoon kind en ga mee”.  ) bis

 

 2 Het meisje met blosje op voorhoofd en wang, stond peinzend aan`t ruim van de zee,

    Daar klonk uit den hoge een tovergezang, en murmelde `t zacht langs de zee:

    "Ga varen, lief kind, ga varen, nu de morgenzon glanst op de baren,

    Gij vaart het geluk met u mee".               ) bis

 

 3 Maar tranen bedouwen een moederlijk oog, het scheiden, het afscheid doet wee,

    Maar troostend, begon weer de zang van omhoog, en blijder herhaalde de zee,

    "Laat varen`t jong paar, laat varen, gelijk van gemoed en van jaren,

    Doorkruist het een veilige ree".             ) bis

 

 4 Wat deed nu het meisje, het waagde een kans, en luid riep de schipper:"Hoezee",!

    De golfjes, zij droegen in vrolijke dans, hun bootj' over effene zee,

    "Blijf varen, jong paar, blijf varen, gewiegd door de glanzende baren,

    In`t zonlicht van voorspoed en vree".   ) bis

 

                   ***************

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage