101  VIER FRANSCHJES OP DE BAAN 

       (oost in C )

 1 Wel vrienden blijf wat staan, en hoort dit lied eens aan,

    Hetgeen ik zal verhalen, hoe dat een schoon madam,

    Buiten Namen is gevaren,  die om vermaak hier kwam.

 

 2 Met haren serviteur, dacht zij aan geen getreur,

    Maar raakte in groot lijden, vier Fransjes op de baan,

    Sprongen uit het bosch bezijden, vielen deez' jonkman aan.

 

 3 Met een boosheid zeer groot, schoten zij deez' jonkman dood,

    In`t bloeien van zijn jaren, deze maagd zo jong en teer,

    Was alzoo in groot bezwaren, en riep:"Geef mij kwartier".

 

 4 Zij was in wit satijn; de Franschen, zeer venijn,

    Wilden deez' maagd onteeren; hardnekkig en verwoed,

    Rukten zij haar uit haar kleren, en dorsten naar haar bloed.

 

 5 Met al zoo'n groot getraan, riep zij Heer Jezus aan,

    Ach, wilt U mij ontfermen, een ruiter op dit pas,

    Hoorde deze maagd zoo kermen, die van de Spaanschen was.

 

 6 Hij vond de Franschen hier, terstond zoo riep hij fier:

    "Och, houd toch op met klagen, gij, overschoone maagd,

    `k Zal voor u mijn leven wagen, bid dat het God behaagt".

 

 7 Met een koelbloedigheid, heeft hij terstond gezeid:

    "Wat komt mij hier te voren" ?  Nam toen zijn rapier in d' hand,

    En gaf zijn paard de sporen, dat vloog schier door het zand.

 

 8 "Ja, Franschen, voor het lest, doet  tegen mij uw best,

    Ik zal u niet ontlopen, het is met u gedaan,

    Met den dood moet gij`t bekopen, of gij moet mij verslaan".

 

 9 Twee Franschen schoot hij dood, maar nu kwam de meeste nood,

    Want hij kon niet meer laden, heeft toen zijn rapier aanvaard,

    Want hij mocht hem wel beraden,  en sprong toen van zijn paard.

 

10 De Spaanse ruiter was, met zijn rapier zeer ras:

     Hij heeft ze bei verslagen, zijn gramschap is vergaan,

     Toen zij dood ter aarde lagen, sprak hij deez' maagd toen aan.

 

11 "Wel overschoon jonkvrouw,  ik ben vol wonden nou,

     Vol wonden en blessuren”,"Rijd mij, daar mijn vader woont,

     Daar zal ik u doen genezen, en kiest mij voor uw loon".

 

12 Zij reden op dit pas, naar haren vader ras,

     De maagd ging hem verkonden: "Ach vader, deze vriend,

     Wil verbinden zijne wonden, hij heeft het wčl verdiend".

 

13 "Want hij heeft mij verlost,  `t had licht mijn leven gekost,

     Ja vader, vol van waarde, vier Franschen op de baan,

     Die mij tot oneer vaarden, heb ik hem zien verslaan".

 

14 De vader was verblijd, en heeft terstond gezeid:

     "Die vriend zij waar geprezen, voor zijne kloeke daad,

     Zult gij zijn huisvrouw wezen, zoo God hem`t leven laat.

 

15 De ruiter die genas, in negen dagen ras,

     Tot loon wierd hem gegeven, deez' maagd, zoo jong en teer,

     Voor het wagen van zijn leven, is hij nu een edel heer.

        

          ***************

 

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage