1 DE MEID EN DE MOORDENAARS

wrden : G.van Enst Kning

wiiz: (oost in F)

 

1 Daar leefde van verre al aan de dijk, een koopman van veel goederen rijk,

Een koopman van veel goederen, die was er met vrouw en kinderen op reis,

En de meid was thuisgebleven. ) bis

2 Het was een zaterdagavond laat, de meid, en de meid die veegde de straat,

Zij werd door de buren geroepen. Meteen was daar een loze, loze dief,

Die de deur was ingelopen. ) bis

 

3 Het meisje sloot haar vensters en haar deur, en zong er een liedje zonder getreur,

Geen mens kan mij verrassen, toen zij daar midden aan de maaltijd zat,

Daar kwam de dief aankrassen. ) bis

 

4 Goedenavond,goedenavond, juffrouw koen,kan ik er vanavond u gezelschap doen?

De meid verschrok daartegen. En sprak:"Wel vent, wat doe jij hier?

Ik dacht, dat ik was allenig". ) bis

 

5 De dief die sprak met holle klank; "Ik kom hier om geen spijs nog drank,

Ik kom om geld te halen", maak open je kisten en je kasten en kantoor,

Of ik zal je van kant gaan maken. ) bis

 

6 De meid ontsloot haar kasten en kantoor, en zong er een liedje zoals `t behoord,

"En zeg, hebt gij geen vrouw"? "Ik heb er een gehad, maar zij is dood",

Antwoordde de dief zeer gauw. ) bis

 

7 Toen gingen zij aan `t pakken en zakken, net alsof het twee beminden zijn,

Net alsof ze elkander beminden. totdat ze schoten banden te kort,

Om de zaken vast te binden. ) bis

 

8 Het meisje was zeer opgeruimd, "Kom laten wij naar het zomerhuis gaan,

Daar zullen wij banden halen. daar hangt ook nog voor ons gemak,

Twee, drie paar zilveren schalen". ) bis

9 En de dief dacht met een vals gemoed, die zilveren schalen zijn ook nog goed,

De dief die stapte naar buiten, de meid die gooide de grendels op de deur,

En de dief die kon staan fluiten. ) bis

 

10 En de dief die zwetste en hij zwoer; "En dat lap jij me, lelijke larie-hoer"?

Hij fluitte langs de straten. totdat er kwamen een stuk of zeven acht,

Al van zijn kameraden. ) bis

 

11 De jongste van de stuk of zeven, acht, die sprak:"Ik heb er een raadje bedacht,

Kom, laten wij spitten en graven, totdat wij komen in het huis,

Voordat het begint te dagen". ) bis

 

12 Toen zij gespitten en gegraven had, dorst de n voor de ander niet in`t gat,

Maar de jongste uitverkoren, sprak:"Zijt gij voor deez maagd bevreesd?

Dan ga ik u te voren". ) bis

 

13 En de meid die kreeg een haai'ge moed, en zij nam er de bijl op staande voet,

En daar kwamen een stuk of zeven, en zij kapte ze de kop al van de romp,

En zij heeft ze daar neergelegen. ) bis

 

14 En toen de achtste er door zou gaan, en zij hem de kop van de romp zou slaan,

Toen is hij terug geweken, en is al op de vlucht gegaan,

Al met zo'n kenbaar teken. ) bis

 

15 En toen de dageraad brak aan, toen is zij naar de politie gegaan,

En zij heeft het aangegeven, en zij zijn daar met haar heengegaan,

En zij hebben haar daad geprezen. ) bis

 

16 Men gaf de baas terstond bericht, wat de meid nu wel had uitgericht,

En hij is tehuis gekomen. En hij gaf haar voor haar kloek gedrag,

Een hele grote beloning. ) bis

 

17 En`t was op een zaterdagavond laat, dat de meid alleen ging door de straat,

En zij zou er een boodschap maken, en een jongeling kwam haar tegemoet,

En hij ging er met haar aan`t praten) bis

18 En de jongeling die praatte er zo goed, dat de meid dacht aan geen vals gemoed,

En zij raakte in `t vertrouwen. en op het eind van hun gesprek,

Zou ze met hem kermis houwen. ) bis

 

19 En daar het nu ginder kermis was, kwam de jongeling met een rijtuig,

Om het meisje af te halen. Maar onder zijn gevlei en zijn gepraat,

Zo raakten zij aan`t dwalen. ) bis

 

20 En zij dwaalden rond langs berg en dal, langs bos en hei en overal,

Maar ziet wat er nu gebeurde; daar kwam opeens een windvlaag aan,

Die zijn pet van`t hoofd afscheurde) bis

21 En hij gaf er de leidsels in de hand, en hij stapte uit het rijtuig op het zand,

En daar zag zij nu van boven, dat hij had een stuk al van zijn hoofd,

En begreep dat zij was bedrogen. ) bis

 

22 En zij lag er de zweep al over het paard, en zij reed er wel mee in vliegende vaart,

Dat de dief, die stond te kijken, dat zij hem daar opeens verliet,

Dat kan je licht begrijpen. ) bis

 

23 Toen zij in`t boerenhuis kwam aan, is zij dadelijk naar binnen gegaan,

Vertelde aan de huisgenoten, wat haar nu wedervaren was,

En hoe zij hem was ontvloden. ) bis

 

24 Men zocht nu dadelijk en terstond, om de dief in`t ganse woud in`t rond,

En men hoorde schoten knallen. En toen men daar nu ging op af,

Was hij alreeds gevallen. ) bis

 

25 Hij had een kogelwond door het hoofd, en sprak:"Dat heb ik haar beloofd,

Maar zij was mij te snode, en ik niet gevangen wezen zou,

En zo moest ik mijzelven doden". ) bis

 

26 Zo gaat het altijd met het kwaad, en berouw komt als het is te laat,

Laat het u tot voorbeeld wezen. en bemoei u nimmer met het kwaad,

Dan hebt gij niets te vrezen. ) bis

***************

Geluidsfragment

 

Volgend lied

 

Terug naar titel en beginregel

 

Terug naar Terschellinger liedjes

 

Terug naar Homepage